De Stadsuil
Wanneer in schemer koolvuur smeult,
verstopt in kelders vol kreupelhout,
en rook strelend in de lucht hangt;
Wanneer de kwartmaan amper schijnt,
neontinten de nacht verblinden
als gif dat parelt op een doornplant;
Dan, boven gedempt verkeerslawaai
hoor ik de uil, en bij z'n roep
verstijf ik in m'n stoel, trilt m'n hand.
Als een drilboor drong hij binnen
om te broeden in brokken steen,
bebloede klauwen bedekt met bont
De tijd leek hem te lokken,
weg van het lege platteland
naar de jacht in een leegstand pand
Waar ooit een kroonluchter zwaaide
weerspiegeld door dansende ogen,
speurt nu een pupil, zwart omrand,
Waar op zijden schoenen minnaars
slopen, bespikkeld met diamant
opent nu een stille vleugel,
En als een bliksemschicht die valt
duikt hij in ‘t lege trapportaal,
maakt een rappe muis terloops van kant
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem